Full Lyrics
1. Getooid met wat heikruid,
den stok in de hand moet trekken
de wand' laar door stad en door land.
En ziet hij een plekje hoe 't hem ook bekoord.
Toch kan hij niet blijven, moet immer weer voort.
2. Daar ziet hij een huisje,
zoo vriendlijk en klein,
te midden van bloemen,
zoo geurend en rein,
hoe zou hem bevallen, dit rustige oord.
Maar neen! hij moet altijd en immer weer voort.
3. Daar groet hem een meisje,
zoo vriend' lijk en blij, met oogen,
zoo blauw als de hemel in Mei:
"Ach kon ik toch blijven, ik bood u mijn hand."
Maar voort moet hij weder, door 't eenzame land.